Goedgekeurd
Artikelen 41, 162 en 170 § 4 van de Grondwet;
Het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017 (B.S. 15 februari 2018), en latere wijzigingen, meer bepaald artikels 77 en 78, betreffende de bevoegdheden van de raad voor maatschappelijk welzijn.
De wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht van bestuurshandelingen, en latere wijzigingen.
Het Bestuursdecreet van 7 december 2018 (B.S. 19.12.2018)
Het wetboek van de minnelijke en gedwongen invorderingen van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen van 13 april 2019, en latere wijzigingen (Invorderingswetboek).
Dit reglement bepaalt de retributies die de meerkost voor de administratie vergoeden voor de invordering van schulden wanneer de debiteur duidelijk onwillig is. Het betreft vermijdbare kosten die de wanbetaler door eigen nalatigheid of inertie heeft veroorzaakt. Het is evident dat de debiteur zelf de gevolgen draagt van zijn eigen handelen of het gebrek daaraan.
De stad Ieper wil in deze de uitgebreide stappen die zij onderneemt en de kosten die zij maakt verhalen op de debiteur die in gebreke blijft.
Afhankelijk van de toegepaste procedure worden meer complexe, tijdrovende en arbeidsintensieve handelingen van de administratie verwacht. Er wordt voorzien in tarieven die in verhouding staan tot de complexiteit van de te voeren procedures.
Bij dit alles dient te worden benadrukt dat als een burger die van goede wil is betalingsmoeilijkheden ondervindt, deze steeds de kans zal krijgen om een betalingsregeling af te spreken. De financieel directeur is steeds bereid om een afbetalingsplan toe te staan wanneer de debiteur blijk geeft van goede trouw en een redelijke termijn wordt voorop gesteld.
Op basis van deze overwegingen besluit de raad met 17 ja stemmen en 15 onthoudingen (de raadsleden Goudeseune, Bolle, Six, Verkruysse, Dehollander, N. Vandamme, W. Vandamme, Bossaert, J. Despeghel, Bibuljica, Deygers, Demyere, Louwyck, Stubbe en Kinoo) het volgende reglement goed te keuren:
Retributiereglement debiteurenbeheer voor inningskosten van niet-fiscale vorderingen
Afdeling I – Algemene bepalingen
Artikel 1: Voor de dienstjaren 2026 tot en met 2031 wordt een retributie geheven voor de kosten verbonden aan de invordering van niet-fiscale vorderingen.
Artikel 2: De niet-fiscale vorderingen in dit reglement omvatten alle vorderingen ontstaan met ingang van 1 januari 2026. Het gaat om vorderingen uit hoofde van opgelegde retributies, tarieven, GAS-boetes, schadevergoedingen, vorderingen uit hoofde van een gerechtelijke uitvoerbare titel en terugvorderingen van ten onrechte betaalde bedragen.
Indien de debiteur de onbetwiste vordering niet betaalt binnen de wettelijke bepaalde vervaltermijn, worden de hieronder bepaalde retributies aangerekend ingeval de in die artikelen vermelde acties worden ondernomen met het oog op de invordering van de schuld.
Afdeling II – Kosten voor een tweede en derde aanmaning en aanmaning na niet-naleving van een afbetalingsplan
Artikel 3: Indien de debiteur niet betaalt binnen de termijn voorzien in de gratis eerste aanmaning, wordt telkens een kost van € 10,00 aangerekend voor de verzending van elke aangetekende aanmaning.
Afdeling III – Kosten voor de grensoverschrijdende invordering van niet-fiscale vorderingen
Artikel 4: Voor de grensoverschrijdende invordering van onbetaalde niet-fiscale vorderingen waarvoor de stad beroep doet op een derde, komt het bedrag van de retributie overeen met de incasso- en administratiekosten die de derde hiervoor aan de stad doorrekent, vermeerderd met € 50,00. De retributie is verschuldigd van zodra het dossier aan de derde wordt overgemaakt.
Afdeling IV – Kosten voor verdere gedwongen uitvoering
Artikel 5: opmaak dwangbevel
Wanneer de debiteur niet overgaat tot betaling van de volledige schuld, kosten en intresten inbegrepen, kan de financieel directeur overgaan tot opmaak van een dwangbevel met het oog op betekening door een gerechtsdeurwaarder. Voor het aanmaken van dit dwangbevel dan wel het overmaken van een dossier aan de gerechtsdeurwaarder, wordt een kost van € 30,00 aangerekend.
Artikel 6: gedwongen uitvoering
Indien na betekening van een dwangbevel de debiteur nog steeds in gebreke blijft, kan de financieel directeur volgende stappen nemen in gedwongen uitvoering en invordering. Hiervoor wordt telkens de overeenstemmende kost opgegeven. Deze kost wordt aangerekend bovenop de eventuele gerechtskosten en gerechtsdeurwaarderskosten en reële kosten die op grond van de wettelijke regelingen worden doorgerekend aan de debiteur.
1° derdenbeslag, het beslag wordt aangetekend aangekondigd nadat opzoekingen werden verricht om een derde-schuldenaar van de debiteur te vinden en vervolgens overgemaakt aan de gerechtsdeurwaarder: € 50,00
2° het nemen van een hypothecaire inschrijving indien de debiteur een onroerend goed bezit, hieraan gaan uitgebreide opzoekingen vooraf: de effectief betaalde kost aan het kantoor rechtszekerheid (nieuwe benaming hypotheekkantoor) wordt doorgerekend, vermeerderd met € 50,00 administratieve kosten per hypotheekinschrijving.
3° uitvoerend beslag op onroerend goed:
4° procedure uit onverdeeldheid treden al dan niet in combinatie met uitvoerend onroerend beslag: ingeval er diverse mede-eigenaars samen met de debiteur zijn moet een procedure gevoerd worden om uit de onverdeeldheid te treden: € 2.000,00 van zodra de stad de dagvaarding daartoe aan de mede-eigenaars betekent, voor zover als gevolg daarvan de effectieve verdeling wordt opgelegd in een vonnis dat kracht van gewijsde heeft.
5° procedure tot aanstelling van een curator over een onbeheerde nalatenschap wanneer er geen gekende erfgenamen zijn, maar wel een nalatenschap van waaruit een vordering kan voldaan worden: € 1.500,00 van zodra het namens de stad opgemaakte verzoekschrift tot aanstelling van een curator werd neergelegd, voor zover dat verzoekschrift uitmondt in de effectieve aanstelling van een curator.
6° procedure van indeplaatsstelling (per onroerend goed): € 1.000,00. Deze retributie is verschuldigd van zodra het namens de stad opgemaakte verzoekschrift om in de plaats te worden gesteld werd ingediend, voor zover de stad effectief in de plaats wordt gesteld van de beslag leggende schuldeiser die in gebreke bleef.
Artikel 7: samenvattende tabel
| Per aangetekende aanmaning |
€ 10 |
| Grensoverschrijdende invordering |
€ 50 |
| Opmaak dwangbevel na uitvoerbaarverklaring |
€ 30 |
| Derdenbeslag |
€ 50 |
| Nemen hypothecaire inschrijving |
€ 50 |
| Uitvoerend beslag op onroerend goed: betekening-bevel |
€ 1.750 |
| Uitvoerend beslag op onroerend goed: notaris |
€ 1.250 |
| Uit onverdeeldheid treden in combinatie met uitvoerend onroerend beslag |
€ 2.000 |
| Aanstelling curator onbeheerde nalatenschap |
€ 1.500 |
| Indeplaatsstelling uitvoerend onroerend beslag |
€ 1.000 |
Artikel 8: Het reglement zal door de voorzitter van het vast bureau worden bekend gemaakt op de webtoepassing van de stad, met vermelding van zowel de datum waarop het werd aangenomen als de datum waarop het op de webtoepassing bekend gemaakt werd. De toezichthoudende overheid wordt op de hoogte gebracht van deze bekendmaking.